www.zenoadvies.nl

Cyberpesten

Cyberpesten

Door de vele anti-pest programma’s die de afgelopen jaren ontwikkeld zijn, is het ouderwetse pesten onder jongeren geleidelijk afgenomen (Looze, et al., 2014). Digitaal pesten komt volgens de Rijksoverheid echter steeds vaker voor en in 2014 was 20% van de jongeren slachtoffer van cyberpesten (eerste-hulp-bij-digitaal-pesten, 2014). Het percentage slachtoffers is met 9% in 2008, in vier jaar verdubbeld naar 18% (Heuveln, van Gaag, & Duiven, 2012). Uit het onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau, komt naar voren dat 40% van de kinderen tussen de 8 en 16 jaar te maken heeft gehad met cyberpesten (Sonck & de Haan, 2011). En uit Vlaams-Nederlands onderzoek blijkt dat 61,9% ooit slachtoffer is geweest van cyberpestgedrag (Valcke & de Craene, 2007).

In het ‘Bullying prevention program’, dat in meerdere landen wordt gebruikt, wordt pesten gedefinieerd als het herhaaldelijk en opzettelijk kwetsen van iemand die zich niet goed kan verdedigen (Olweus, 1993). Een aanvulling van Salmivalli & Peets (2009) hierop is dat het moedwillig gebeurt en dat er sprake is van een verschil in macht tussen dader en slachtoffer. Per leeftijd verschilt het percentage sterk. Pardoen en Zwanenberg (2010) geven aan dat pesten het meeste plaatsvindt bij leerlingen tussen groep 7 op de basisschool en de 2e klas van de middelbare school. Structureel pesten van kinderen tot en met 10 jaar komt nauwelijks voor (Zeijl, Crone, Wiefferink, Keuzenkamp, & Reijneveld, 2005).

De gevolgen

De gevolgen van digitaal pesten zijn veel ernstiger, omdat het niet ophoudt zolang het kind online is (Sampasa-Kanyinga, Roumeliotis, & Xu, 2015). Slachtoffers van pestgedrag kunnen hier ernstige psychische problemen aan overhouden, die soms effect hebben op de rest van hun leven (Arseneault, Bowes, & Shakoor, 2009). Longitudinaal onderzoek in Canada geeft aan dat slachtoffers grotere kans lopen om op een later moment in hun leven ook weer met pestgedrag te maken krijgen (Smith, Ananiadou, & Cowie, 2003). Het zorgt ervoor dat slachtoffers van pestgedrag vaak teruggetrokken zijn, meer geïsoleerd, minder coöperatief, minder sociaal en vaak agressiever dan hun leeftijdgenoten (Perren & Alsaker, 2006). Ook kan het ervoor zorgen dat kinderen later te maken krijgen met depressies, weinig zelfvertrouwen en moeite om relaties te onderhouden (van Rooij & van Eijnden, 2007). Het pesten gaat in veel gevallen dan misschien wel over, maar de gevolgen duren soms levenslang.

Vormen van digitaal pestgedrag

Digitaal pesten vertoont veel gelijkenissen met traditioneel pesten, maar de dreiging vindt dan niet meer alleen plaats op het schoolplein, maar dringt door tot in de slaapkamer van het kind (Sumter & Valkenburg, 2011). Chats en beeldmateriaal blijven voor altijd online en iedereen kan meedoen.

Meelopers kunnen thuisblijven en toch het gevoel hebben dat ze erbij horen. De Amerikaanse schrijfster Willard, schreef verschillende artikelen en boeken over cyberpesten. Zij maakt onderscheid tussen zeven verschillende uitingsvormen van cyberpesten (Willard, 2006).

Flaming:                 Het uitvechten van ruzies, door berichten op telefoon en sociale media.

Harassment:           Het voortdurend sturen van vervelende berichten, soms onder een andere naam.

Dissing:                  Het kwaadaardig roddelen via een chat of mobiele telefoon.

Cyberstalking:         Het voortdurend lastig vallen, via chat, email of mobiele telefoon.

Trickery:                 Het online zetten van privéinformatie van iemand.

Outing:                   Het uploaden of doorsturen van foto’s of filmpjes van iemand.

Exclusion:               Het negeren of buitensluiten van iemand bij een gezamenlijke chat of WhatsApp.

Het toont aan dat er verschillende uitingsvormen zijn van digitaal pestgedrag, die allemaal uit een andere emotie ontstaan. Het kan ontstaan uit trots, frustratie, macht, zelfbescherming, groepsbinding of erbij willen horen. Vlaams onderzoek naar de verschillende vormen van digitaal pestgedrag, beschrijft dezelfde vormen, maar verdeelt deze onder in vier categorieën (Vandebosch, van Cleemput, Mortelmans, & Walrave, 2006).

Fysiek cyberpesten:           Moedwillig schade brengen aan een computer door het versturen van virussen of grote hoeveelheden berichten.

Verbaal online pesten:        Kwetsende of agressieve berichten versturen via WhatsApp, sms, email, Twitter, Facebook, Instagram.

Non-verbaal online pesten: Het versturen van bedreigende of beschamende foto’s of video’s.

Sociaal online pesten:        Het uitsluiten van onlinegroepen, zoals Facebook, Instagram en WhatsApp.

Op de basisschool heeft cyberpesten andere uitingsvormen dan op de middelbare school. Uit onderzoek onder 11- en 12-jarigen, bleek dat fysiek cyberpesten vrijwel niet voorkomt (Baas, de Jong, & Drossaert, 2013). Volgens het onderzoekscentrum van de UvA gaat het in de meeste gevallen om ‘verbaal online pesten’ (Sumter & Valkenburg, 2011).

Welke signalen vertonen kinderen die gepest worden?

Kinderen vertellen maar in 33 % van de gevallen aan hun ouders dat ze gepest worden, omdat ze denken dat ouders digitaal pesten niet kennen en als consequentie het internetgebruik zullen verbieden. In slechts 25% van de gevallen vertellen kinderen het aan hun leraar (consultatieteampesten, 2015). Een reden kan zijn dat het kind bang is dat de kwestie klassikaal wordt besproken (Baas, de Jong, & Drossaert, 2013). Voor de omgeving is het daarom belangrijk om te signalen te kennen die kinderen vertonen als ze gepest worden. Stichting Aandacht voor Pesten heeft hier een lijstje van gemaakt (herken de waarschuwingssignalen, 2015).

Mogelijke signalen voor thuis zijn:

  • Het kind heeft angst om naar school te gaan.
  • Heeft last van concentratiestoornissen.
  • Schoolprestaties gaan achteruit.
  • Heeft vaak geen eetlust.
  • Ze kunnen ineens veel ruzie gaan maken thuis.
  • Zomaar en regelmatig huilen om niets.
  • Het kind heeft last hebben van buikpijn, hoofdpijn, misselijkheid.
  • Het kind neemt geen klasgenootjes mee naar huis.

Mogelijke signalen voor school zijn:

  • Heeft moeite zich voor de klas te uiten.
  • Lijkt onzeker, angstig, verdrietig.
  • Het kind is gauw prikkelbaar of boos. (Krowatschek & Krowatschek, 2008)
  • In de pauze steeds contact zoeken met de pleinwacht.
  • Bijna altijd met kleine kinderen speelt.
  • Het kind wil niet meer naar school en klaagt over hoofdpijn en buikpijn. (Klungers, 2007)
  • Zich proberen te onttrekken aan groepsactiviteiten.
  • Vlak voor het belsignaal op school arriveren.
  • Demotivatie voor de studie en dalende schoolresultaten. (VVKSO, 2014)

Bij digitaal pesten zullen de ouders het meeste te maken hebben met deze signalen. Het is echter wel de vraag in hoeverre ouders tijd en aandacht hebben voor de mogelijke signalen die kinderen geven en of ze vaardig genoeg zijn om hier op de juiste manier op te reageren. Voor de school is het dus belangrijk om te weten op welke manier de school de ouders kan betrekken bij het signaleren van digitaal pestgedrag.

Wat kunnen ouders doen

In 2009 verscheen het boek De WIFI Generatie, Vliegensvlug en Vogelvrij op het Mobiele Internet. Hierin komt naar voren dat kinderen van de 21e eeuw een dubbelleven leiden; een leven ‘In Real life’ en een digitaal leven (Delver & Hop, 2009). Om digitaal pestgedrag te kunnen herkennen, is kennis van de belevingswereld van het kind een voorwaarde. Ook moeten ouders weten hoe ze met hun kinderen in gesprek kunnen komen over de digitale wereld waarin het kind leeft. In het onderzoek van de Universiteit Twente komt ook naar voren dat welgemeende interesse van ouders het belangrijkste is. Vervolgens is het belangrijk om de kinderen te steunen en samen een oplossing te vinden voor het probleem (Baas, de Jong, & Drossaert, 2013). Dit komt overeen met het onderzoek van het wetenschappelijk onderzoeksbureau IVO, naar het relationele aspect tussen ouders en kinderen die gepest worden. Hieruit kwam naar voren dat de kans op online pesten het kleinst is als de ouders een hechte band met hun kind hebben (Van Rooij & Van Eijnden, 2007). Een belangrijke aanvulling is dat deze ouders geen strenge straffen inzetten, maar wel duidelijke afspraken maken om het kind zich veilig in de digitale wereld te laten bewegen.

In het eindverslag van de commissie Veenstra, die het overlijden onderzocht van een meisje dat veel gepest werd, staat dat de ouders moeite hadden met het opvangen van signalen en niet goed wisten hoe ze moesten doorvragen (Veenstra, van Yperen, van der Meulen, & Dijkshoorn, 2015). Als ouders doorvragen naar wat er met het kind aan de hand is, krijgt het kind de gelegenheid om de diepere gedachten en gevoelens te delen. Het is hierbij belangrijk om goed te luisteren en niet te snel te oordelen. Vervolgens moet samen met het kind besproken worden, hoe dit naar de school gecommuniceerd kan worden (wat kun je als ouder doen, 2015).

Een hechte relatie tussen ouders en kind is dus belangrijk. Als school heb je hier echter weinig invloed op. Dit maakt het probleem zo ingewikkeld. Als de relatie er niet is, dan is de kans op online pesten groter en de kans op ondersteuning van de ouders dus kleiner. De aanbeveling van het IVO onderzoek is om ouders beter te informeren over hun rol als opvoeder en wat zij kunnen doen om online pesten tegen te gaan (van Rooij & van Eijnden, 2007).

Wat kan de school doen

De Nederlandse overheid heeft op 4 juni 2015 de wet ‘Veiligheid op School’ aangenomen. Hierin worden scholen verplicht een sociaal veiligheidsbeleid uit te voeren. Verplicht is een ‘Actieplan sociale veiligheid’ en een ‘Pestprotocol’, waarin ook digitaal pesten is opgenomen. Er moet een aanspreekpunt zijn voor kinderen en ouders, die het pestbeleid op school coördineert (Veilig leren en werken in het onderwijs, 2015).

Op de website van de Universiteit van Utrecht staan 13 door het Nederlands Jeugdinstituut als mogelijk effectief beoordeelde programma’s vermeld (anti-pestprogrammas, 2015). In het boek van Goossens, Vermande en van der Meulen (2012) worden negen van deze programma’s uitvoerig beschreven. Toch blijkt het door de digitale vormen van pesten, die vaak niet op school plaatsvinden, nog steeds moeilijk om grip te krijgen op het probleem (Roede & Felix, 2009). Uit onderzoek van het Kohnstamm Instituut blijkt dat de enige succesfactor om digitaal pesten tegen te gaan, is zorgen voor een goede band tussen de school, de ouders en het kind. Dit werkt vooral goed bij scholen met kleine teams, waarbij de professionaliteit van de leerkrachten gewaarborgd is.

Hoe kan de school ouders betrekken bij hun anti-pestbeleid?

In het boek ‘ouderbetrokkenheid voor elkaar’ staan in tien stappen beschreven hoe de school de ouders kan betrekken bij digitaal pestgedrag (de Vries, Cox, Heldoorn, & Galjaard, 2014). Het belangrijkste hierbij is om te laten zien, dat ouders gelijkwaardige samenwerkingspartners zijn, die medeverantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van hun kind. Ouders moeten zich vrij voelen om samen te werken met de leerkrachten en ideeën en verbetermaatregelen voor te stellen. De ouders moeten ook zo vroeg mogelijk betrokken worden bij het vermoeden van digitaal pestgedrag  (Beijerinck, 2010).

In het onderzoek ‘Samenwerken tegen Pesten’ komen deze elementen ook naar voren (Munniksma, Huitsing, Oldenburg, van der Ploeg, & Veenstra, 2014). Het rapport benadrukt hierbij het belang van face-to-face contact met ouders. Begrip tonen, gevoelens erkennen en interesse en waardering tonen. Ook is het van belang om de deskundigheid van ouders te benoemen en om ontmoetingen met ouders te organiseren over mediawijsheid (Algra, Boot, Borgdorff, Otter, & Vos, 2014). Op de website van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) wordt nog een aantal andere succesfactoren genoemd (Ouders betrekken bij de aanpak van pesten, 2015).

  • De adviezen die de school aan ouders geeft zijn concreet en praktisch bruikbaar.
  • De school reikt gespreksonderwerpen aan om thuis in het gezin over door te praten.
  • Leerkrachten leggen huisbezoeken af.

De onderzoeken laten zien dat de school op een actieve manier ouders moet betrekken bij het pestprobleem. De school zal hiervoor eerst moeten onderzoeken hoe de ouders nu omgaan met digitaal pesten en welke ondersteuning ze hierbij nodig hebben.

Conclusie

Digitaal pesten komt voor bij kinderen vanaf 11 jaar en is een groeiend probleem. Aangezien de gevolgen hiervan soms levenslang duren, moet het zo vroeg mogelijk aangepakt worden. Ouders zijn vaak wel op de hoogte van deze vorm van pesten, maar krijgen er moeilijk grip op, omdat het in de digitale wereld gebeurt. Ouders weten vaak niet hoe ze met signalen van digitaal pesten om moeten gaan omdat ze niet weten hoe ze hier een gesprek over moeten beginnen en hoe ze kunnen ‘doorvragen’.

Voor een goede opvoeding van het gebruik van digitale media, is kennis van de belevingswereld van het kind erg belangrijk. Betrokken ouders die duidelijke structuur bieden aan het kind en niet dreigen met straffen, slagen hier het beste in. Ouders moeten zo vroeg mogelijk betrokken worden bij digitaal pestgedrag en zich medeverantwoordelijk voelen voor de oplossing van het probleem. De school moet hiervoor concrete en praktische adviezen geven en gespreksonderwerpen aanbieden, waarover in het gezin gesproken kan worden.

Voor de school is het belangrijk om te weten te komen in hoeverre ouders signalen van digitaal pestgedrag herkennen en ermee om kunnen gaan. Zijn ze vaardig om hun kinderen hierin op te voeden, voelen ze zich vrij om hier met de school over te praten en welke ondersteuningsbehoeften hebben ze? Hierbij is het belangrijk om te onderzoeken hoe de ouders zich medeverantwoordelijk gaan voelen om samen met de school, digitaal pesten tegen te gaan.

 

Joost van den Oever

Gedragsspecialist

 

Literatuur

Algra, M., Boot, L., Borgdorff, M., Otter, H. & Vos, J. (2014, april). Kinderen en online privacy. Zoetermeer: Mijn Kind Online/Kennisnet.
anti-pestprogrammas. (2015, December 15). Opgehaald van www.uu.nl: http://www.uu.nl/onderzoek/watwerkttegenpesten/anti-pestprogrammas
Arseneault, L., Bowes, L. & Shakoor, S. (2009). Bullying victimization in youths and mental health problems: ‘Much ado about nothing’? Cambridge: Cambridge University Press.
Baas, N., de Jong, M. & Drossaert, C. (2013). Children’s Perspectives on Cyberbullying: Insights Based on Participatory Research. Enschede: Universiteit Twente.
Beijerinck, B. (2010). Pesten en dan? Tilburg: Fontys.
consultatieteampesten. (2015, December 15). Opgehaald van www.consultatieteampesten.nl: http://www.consultatieteampesten.nl/
Contact over uw kind. (2016, Januari 12). Opgehaald van www.hetvlotichtus-onzewijs.nl: http://www.hetvlotichtus-onzewijs.nl/school/ouders/contact-over-uw-kind#.VqD-NyrhChc
Delver, B. & Hop, L. (2009). De WIFI-generatie De jeugd op het mobiele internet Vliegensvlug en Vogelvrij. Alkmaar : Nationale Academie Voor Media & Maatschappij.
eerste-hulp-bij-digitaal-pesten. (2014, April 16). Opgehaald van www.rijksoverheid.nl: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2014/04/17/website-voor-eerste-hulp-bij-digitaal-pesten
Goossens, F., Vermande, M. & van der Meulen, M. (2012). Pesten op school. Achtergronden en interventies. Amsterdam: Boom en Lemma.
herken de waarschuwingssignalen. (2015, November 8). Opgehaald van www.aandachtvoorpesten.nl: http://www.aandachtvoorpesten.nl/informatie/dossier_pesten/herken_de_waarschuwingssignalen.html
Heuveln, K., van Gaag, M. & Duiven, R. (2012). Landelijk onderzoek pesten. Zwolle: School & Innovatie Groep.
infogids. (2015, December 21). Opgehaald van www.hetvlotichtus-onzewijs.nl: http://www.hetvlotichtus-onzewijs.nl/wp-content/uploads/sites/39/2013/10/AZ-ICHTUS-2014-15.pdf
Klungers, T. (2007). Van pesten naar een wij-gevoel. Weesp: Posicom.
Krowatschek, D. & Krowatschek, G. (2008). Pesten op school. Katwijk: Panta Rhei.
Looze, M. de, Dorsselaer, S. van, Roos, S. de, Verdurmen, J., Stevens, G., Gommans, R., . . . Voolebergh, W. (2014). Gezondheid, welzijn en opvoeding van jongeren in Nederland, HBSC-2013 : Health Behavior in School-aged Children. Utrecht: Universiteit Utrecht.
Rooij, T. v., & Eijnden, R. v. (2007). Monitor Internet en Jongeren . Rotterdam: IVO.
Samenwerken met ouders. (2016, Januari 12). Opgehaald van www.nji.nl: http://www.nji.nl/Samenwerken-met-ouders
Munniksma, F., Huitsing, G., Oldenburg, B., van der Ploeg, R. & Veenstra, R. (2014). Samenwerkern tegen Pesten. In R. Oostdam & P. de Vries (Eds.), Samen werken aan leren en opvoeden: Basisboek over ouders en school. (pp. 211-224). . Bussum: Coutinho.
Olweus, D. (1993). Bullying at School: What we know and what we can do. Blackwell: Oxford.
Ouders betrekken bij de aanpak van pesten. (2015, November 4). Opgehaald van www.nji.nl: http://www.nji.nl/nl/Pesten-Praktijk/Ouders-betrekken-bij-de-aanpak-van-pesten
Van Peet, A. & Everaert, H. (2015). Lessen in Onderzoek, onderzoek in de onderwijspraktijk. Meppel: Agiel.
Pardoen, J. & Zwanenberg, F. (2010). Handboek Mediawijsheid op School. Leiden: Buurtboek.
Perren, S. & Alsaker, F. (2006). Social behavior and peer relationships of victims, bully-victims, and bullies in kindergarten. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 47(1):45-57.
Roede, E. & Felix, C. (2009). Het einde van pesten op school in zicht? Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut .
Van Rooij, T. & van Eijnden, R. (2007). Monitor Internet en Jongeren 2006 en 2007: Ontwikkelingen in internetgebruik en de rol van opvoeding. Rotterdam: IVO.
Salmivalli, C. & Peets, K. (2009). Bullies, victims and bully-victim relationships in middle childhood and early adolescence. New York: Guilford.
Samenwerken met ouders. (2016, Januari 12). Opgehaald van www.nji.nl:
http://www.nji.nl/Samenwerken-met-ouders
Sampasa-Kanyinga, H., Roumeliotis, P. & Xu, H. (2015, December 13). Associations between Cyberbullying and School Bullying Victimization and Suicidal Ideation, Plans and Attempts among Canadian Schoolchildren. Opgehaald van journals.plos.org: http://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0102145
Smith, P., Ananiadou, K. & Cowie, H. (2003). Interventions to reduce school bullying. Journal of Psychiatry, 48(9), 591–599.
Sonck, N. & de Haan, J. (2011). Kinderen en internetrisico’s. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Sumter, S. & Valkenburg, P. (2011). Digitaal pesten: de nieuwste feiten. Amsterdam: CcaM Kennis.
Valcke, M. & de Craene, B. (2007). Kinderen en internet, Gids voor ouders, leerkrachten en hulpverleners. Tielt: Lannoo .
Vandebosch, H., van Cleemput, K., Mortelmans, D. & Walrave, M. (2006). Cyberpesten bij jongeren in Vlaanderen. Brussel: viWTA.
Veenstra, R., Yperen, T. van, Meulen, M. van der & Dijkshoorn, P. (2015, December 15). Signalen van Fleur Bloemen: Welke waren er en wat heeft de school daarmee gedaan? Opgehaald van www.ppsw.rug.nl: http://www.ppsw.rug.nl/~veenstra/CV/PubliekeSamenvattingCommissieVeenstra.pdf
Veilig leren en werken in het onderwijs. (2015, juni 24). Opgehaald van www.rijksoverheid.nl: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/veilig-leren-en-werken-in-het-onderwijs/inhoud/veiligheid-op-school
Vries, P. de, Cox, H., Heldoorn, G. & Galjaard, H. (2014). Ouderbetrokkenheid voor elkaar, In tien stappen naar een goede samenwerking tussen school en ouders. Amersfoort: CPS.
VVKSO. (2014). Pesten, cyberpesten en steaming van leerlingen door leerlingen. Brussel.
Wat kun je als ouder doen. (2015, 12 19). Opgehaald van www.aandachtvoorpesten.nl: http://www.aandachtvoorpesten.nl/informatie/dossier_pesten/wat_kun_je_als_ouder_doen_als_je_kind_wordt_gepest.html
Willard, N. (2006). Educator’s Guide to Cyberbullying Addressing the Harm Caused by Online Social Cruelty . www.internetsafetyproject.org: Center for Safe and Responsible Internet Use.
Zeijl, E., Crone, M., Wiefferink, K., Keuzenkamp, S. & Reijneveld, M. (2005). Kinderen in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.