www.zenoadvies.nl

School Wide Positive Behavior Support (SWPBS)

 

School Wide Positive Behavior Support

School Wide Positive Behavior Support (SWPBS) is een schoolbrede aanpak gericht op het creëren van een positief schoolklimaat (Wat is SWPBS, 2016). Het Three-tier model (figuur 1) dat hiervoor gebruikt wordt, is een piramide model met drie lagen. Door helder en op een continue basis, aan alle leerlingen in de school verwachtingen te benoemen, wordt probleemgedrag van leerlingen voorkomen (Greenwood, Kratochwill, & Clements, 2008). Problemen moeten voorkomen worden door de omstandigheden te veranderen, zoals de omgeving, het rooster en de gedragsregels. Door deze aanpak wordt positief gedrag op expliciete en gestructureerde wijze gestimuleerd (Goei, et al., 2015). Leerlingen en leraren versterken deze ervaringen met elkaar, doordat ze elkaar steeds aanmoedigen het gewenste gedrag te vertonen en het zich ook eigen maken (Blonk, 2010). Hierdoor ontstaat er een veilig en voorspelbaar klimaat waarin sociaal en taakgericht gedrag wordt bekrachtigd en ongewenst gedrag wordt omgebogen (Horner, Sugai, Todd, & Lewis-Palmer, 2005).

Figuur 1. Drie-laags model van SWPBS

De onderste laag vertegenwoordigt 80-90% van de leerlingen, die zich binnen dit systeem probleemloos ontwikkelen. De tweede laag zijn de 5-10% van de leerlingen waarvoor groepsinterventies nodig zijn. De top van het model is een kleine groep leerlingen waarvoor gespecialiseerde individuele interventies nodig zijn (Goei, 2013). Om SWBPS een succes te laten worden, is het van belang dat dit op een correcte manier wordt geïmplementeerd (Barrett, Bradshaw, & Lewis-Palmer, 2008). Naast de maandelijkse bijeenkomsten met een SWPBS-coach, wordt het hele schoolteam, twee jaar lang, vier keer per jaar getraind. Hiernaast is een belangrijke voorwaarde dat er een coördinator aangesteld wordt, die zorgt voor de informatieverstrekking aan alle medewerkers en die zorgt voor een actieplan en procesbewaking (Lewis, 2006).

Binnen SWPBS vormen de 5 pijlers het raamwerk waarbinnen de school invulling kan geven aan het model (Goei, et al., 2015).

  1. Schoolbrede aanpak: Sociale vaardigheden en sociaal gedrag worden aan de hele school geleerd vanuit schoolbreed gedragen kernprincipes: wees veilig, respectvol en verantwoordelijk. Vanuit deze principes worden heldere gedragsregels geformuleerd.
  2. Preventie: Door leerlingen expliciet op positieve wijze gewenst gedrag aan te leren, worden gedragsproblemen voorkomen.
  3. Positieve benadering en het onderwijzen van verwachtingen: Goed gedrag wordt structureel bekrachtigd en aangemoedigd. Er zijn duidelijke consequenties voor ongewenst gedrag, maar hier wordt zo weinig mogelijk aandacht aan geschonken.
  4. Data-driven decision making: Via de SWPBS-monitor worden twee keer per jaar gedragsgegevens verzameld, op leerling-, klas- en schoolniveau. Deze gegevens worden gebruikt om SWPBS bij te sturen.
  5. Samenwerking met ouders en ketenpartners is erg belangrijk.

Het idee van SWPBS lijkt op het piramidemodel van Declerck (2011). Niveau 1 van deze piramide wordt ‘Algemeen Leefkwaliteitsbevorderend Klimaat’ genoemd en is gericht op schoolniveau, klasniveau, ouders en personeel. Net als bij SWPBS is hierbij de samenwerking met het primaire en secundaire netwerk erg belangrijk (Deklerck, 2011).

Niveau 2 van de piramide, richt zich op sociale vaardigheden, duidelijke klasafspraken en teamtrainingen (Deklerck, 2011). Het verschil met SWPBS is dat Deklerck bouwt op de algemene normen en waarden uit de samenleving, terwijl SWPBS expliciet gewenst gedrag aanleert (Goei, et al., 2015).

Hoe effectief is SWBPS?

In de Verenigde Staten wordt SWPBS in minstens 44 staten op 18.277 scholen ingezet, met goede resultaten (APBS, 2016). Uit onderzoek is gebleken dat er een duidelijke verbetering van gedrag te zien is bij basisschoolleerlingen (Horner, Sugai, Todd, & Lewis-Palmer, 2005). Hierbij is een afname te zien van gerapporteerde incidenten, van 40 tot 60 procent (Sugai, et al., 2000). Toch worden er door sommige mensen wel wat kanttekeningen geplaatst. Het zou te gedragsmatig zijn, waarbij het belonen van gedrag dat leerlingen uit zichzelf goed zouden moeten doen, menig leraar tegen de borst stuit (Louwe, 2014). Sociaal gedrag kun je niet aanleren door te belonen, maar door kinderen het zich bewust te maken. Kinderen maken zich alleen gedrag eigen als er een intrinsieke motivatie voor is (Jurriaans, 2016).

De vraag is of het model bedoeld is om kinderen te veranderen. Er worden nieuwe vaardigheden aangeleerd, zoals sociale vaardigheden, communicatie en zelfregulatie waardoor ongewenst gedrag, zoals pesten, schelden en geweld afnemen (Hieneman, Dunlap, & Kincaid, 2005). Deze vaardigheden zorgen ervoor dat er weinig ruimte is voor ongewenst gedrag. Voor een schoolomgeving, waar veel mensen bij betrokken zijn, is dit op zich prima. Om hierbij de nadruk niet op het ongewenste gedrag te leggen, maar op positief gedrag, is ook goed bedacht. Zolang het een positief middel is om veiligheid te bieden aan de kinderen en niet een doel op zich wordt om alle kinderen in een strak keurslijf te persen.

Mooier zou het zijn als het sociale gedrag niet aangeleerd wordt, maar ontstaat uit de kinderen zelf. Het is daarbij natuurlijk heel zinvol om duidelijke afspraken te maken over wat wel kan binnen een groep en wat niet. In principe ontstaan deze normen vanzelf bij iedere groepsvorming (Remmerswaal, 2006), maar zelfs de jagers en verzamelaars maakten afspraken over wie er mochten jagen en hoe laat er werd gegeten. Hierbij geldt ook weer dat de regels een middel zijn om met elkaar samen te kunnen leven. SWPBS moet dan ook als een model gebruikt worden en niet een doel op zich worden. Dit komt overeen met de manier waarop Goei (2013) SWPBS beschrijft. Zij geeft aan dat het geen kant-en-klaar programma is, maar een probleemoplossend model. In de VS werkt men meer vanuit een vast protocol, terwijl men in Europa meer nadruk legt op de eigenheid en de autonomie van de leraar en de school (Goei, 2013). Het is een raamwerk, dat passend gemaakt moet worden voor de school waar je het inpast.

Doelgroep en individuele interventie

Het blijft dan wel een beetje de vraag wat de meerwaarde precies is van het model. Zo is onduidelijk wat SWPBS doet voor de risicoleerlingen (Crone, Horner, & Hawken, 2001). Het is misschien maar 10 tot 15 procent van alle leerlingen, maar wel de groep met de grootste risico’s. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) heeft weinig vertrouwen in de effectiviteit van SWPBS als anti-pestprogramma’s en heeft het programma vooralsnog afgewezen (Ouders Online, 2016). Ook uit onderzoek op de universiteit van Missouri kwam naar voren, dat er meer onderzoek nodig is om de toegevoegde waarde te bepalen voor kleine groepen en individuen (Lewis, 2006).

Op zich is dit helemaal geen probleem, omdat er verschillende bewezen effectieve programma’s zijn, die binnen het raamwerk van SWPBS gebruikt kunnen worden. Volgens Goei (2013) omvatten de meesten hiervan interventies die op klasniveau worden toegepast, zoals het PAD-leerplan en Taakspel. Deze zijn gepubliceerd in de database van het Nederlands Jeugd Instituut, waar ook effectieve programma’s tegen pesten vermeld staan (anti-pestprogramma’s, 2015). In het boek over onderwijszorg en de keten wordt aangegeven, dat scholen zelf zoeken naar de mogelijkheden om de aanpak van SWPBS vorm te geven, op een bij de school passende wijze (Schoorel, De Bruïne, Nelen, & Willemse, 2012). Scholen kunnen dus zelf een effectief programma kiezen dat ze gebruiken binnen het raamwerk van SWPBS.

Daarmee blijft alleen de vraag nog over: Hoe bijzonder is dat raamwerk nou werkelijk? Laten we opnieuw naar de 5 pijlers van SWPBS kijken (Goei, et al., 2015).

  1. Schoolbrede aanpak

Voor de school worden heldere gedragsregels geformuleerd. Goed plan. Op zich heeft iedere school dit natuurlijk al, maar het is goed om hier aandacht aan te besteden, door ze te blijven herhalen en consequent te hanteren.

  1. Preventie

Leerlingen expliciet op positieve wijze gewenst gedrag aanleren is ook een goed idee, ook al zegt Jurriaans (2016) dat gedrag van binnenuit moet veranderen en van weinig waarde is als het wordt opgelegd. Als een kind de positieve effecten gaat zien van gewenst gedrag, dan zal het vanzelf het gedrag eigen gaan maken. Als jij aardig bent voor anderen, dan doen anderen aardig tegen jou. Als jij sorry zegt, dan is de ander niet meer boos.

  1. Positieve benadering

Goed gedrag wordt structureel bekrachtigd en aan ongewenst gedrag wordt zo weinig mogelijk aandacht geschonken. Veel leerkrachten zullen dit van nature al doen. Als een kind iets aardigs zegt tegen een ander kind, dan wordt dat benadrukt en dient het als voorbeeld voor de rest van de klas. Het moet echter geen trucje worden. Als dit dan ook nog structureel en openlijk beloond wordt, dan kan het al snel met verkeerde motieven gebeuren. Voor het zo weinig mogelijk aandacht schenken aan ongewenst gedrag, geldt hetzelfde. Soms is het beter om geen aandacht te schenken aan ongewenst gedrag, omdat het de sfeer kan bepalen voor de rest van de dag. Soms kan het echter voor iedereen leerzaam zijn als er wel openlijk aandacht aan geschonken wordt.

  1. Data-driven decision making

Via de SWPBS-monitor worden twee keer per jaar gedragsgegevens verzameld, op leerling-, klas- en schoolniveau. Het is belangrijk dat een proces gemonitord wordt. Als de school twee keer per jaar gedragsgegevens wil verzamelen, zullen leraren dagelijks over gedrag moeten rapporteren. Gedrag moet gekwalificeerd en gekwantificeerd worden. Als dit lukt, dan ligt het aan de medewerkers om dit consequent en zorgvuldig in te vullen. Het blijft alleen wel de vraag wat je met die gegevens wilt doen. Het maakt inzichtelijk of bepaald gedrag toe- of afneemt. En dan? Meer regels of hogere beloningen?

  1. Samenwerking met ouders en ketenpartners

In de hulpverlening is dit een belangrijke stap; het in kaart brengen van het netwerk. Om kinderen met gedragsproblemen te kunnen helpen, is het belangrijk om samen te werken met ouders en andere betrokkenen. Hierbij moet je alle ouders zoveel mogelijk bij de school betrekken. Ouders krijgen inzicht in hoe het op school werkt en de school krijgt inzicht in de primaire steungroep van de kinderen.

Conclusie

SWPBS kan een goed raamwerk zijn voor scholen, waarbinnen effectieve programma’s moeten zorgen voor het voorkomen van gedragsproblemen (Goei, 2013). Zo’n raamwerk kan de school ook zelf ontwikkelen, maar vereist wel geregeld aandacht en bijsturing. Belangrijk hierbij is een schoolbrede aanpak met heldere gedragsregels die door alle medewerkers consequent gehanteerd worden. Goed gedrag moet op een positieve manier bekrachtigd worden, waardoor kinderen van binnenuit hun gedrag gaan aanpassen. Afspraken over het gedrag van kinderen moeten periodiek geëvalueerd worden en bijgesteld. Vervolgens moeten de medewerkers de ouders zoveel mogelijk betrekken bij de gedragsproblemen van de kinderen en hiermee samenwerken (Goei, et al., 2015). Binnen dit raamwerk zal er voor een kleine risicogroep extra aandacht besteed moeten worden door passend onderwijs en zorg op maat (Goei, 2013). Hiervoor zijn verschillende bewezen effectieve programma’s beschikbaar. De school moet zelf bepalen welke methoden geschikt zijn voor de school (Schoorel, De Bruïne, Nelen, & Willemse, 2012). Het is belangrijk om voor ogen te houden dat het raamwerk een middel is om een belangrijk doel te bereiken. Het gaat om preventie tegen en begeleiding van gedragsproblematiek. Iedere methode, model of raamwerk dat hieraan bijdraagt is goed, zolang het in dienst staat van het kind, om ieder kind een veilige plaats te bieden en volledig tot bloei te laten komen.

 

Joost van den Oever

Gedragsspecialist

 

Bibliografie

anti-pestprogramma’s. (2015, November 4). Opgehaald van www.uu.nl: http://www.uu.nl/onderzoek/watwerkttegenpesten/anti-pestprogrammas

APBS. (2016, Februari 14). Opgehaald van www.apbs.org: http://www.apbs.org/new_apbs/schools-and-districts.html

Barrett, S., Bradshaw, C., & Lewis-Palmer, T. (2008). Maryland Statewide Positive Behavior Interventions and Supports Initiative: Systems, Evaluation and Next Steps. Journal of Positive Behavior Interventions, pp. 10, 105-114.

Blonk, A. (2010). Preventie als opdracht voor de speciale onderwijszorg. Fontys OSO.

Crone, D., Horner, R., & Hawken, L. (2001). The behavior education program. University of Oregon.

Deklerck, J. (2011). De preventiepiramide. Leuven: Acco.

Goei, S. (2013). School Wide Positive Behavior Support in Nederland. Amsterdam: VU.

Goei, S., Nelen, M., Oudheusden, M. v., Bruïne, E. d., Piscaer, D., Roozeboom, C., . . . Blok, R. (2015, November 16). Omgaan met gedragsproblemen in het onderwijs: SWPBS. Opgehaald van www.swpbs.nl: http://www.swpbs.nl/files/538/artikel_swpbs_remediaal_deel_1.pdf

Greenwood, C., Kratochwill, T., & Clements, M. (2008). Schoolwide prevention models. Lessons learned in elementary schools. The Guilford Press.

Hieneman, M., Dunlap, G., & Kincaid, D. (2005). Positive support strategies for students with behavioral disorders. Psychology in schools, pp. vol. 42 (8), 779-794.

Horner, R., Sugai, G., Todd, A., & Lewis-Palmer, T. (2005). School-wide positive behavior support: An alternative approach to discipline in schools. New York: Guilford Press.

Jurriaans, G. (2016, Februari 19). PBS, de zoveelste loot aan de opvoedboom. Opgehaald van Kroost: http://kroost.org/schoolkind/pbs-de-zoveelste-loot-aan-de-opvoedboom/

Lewis, T. (2006). What Every Administrator Needs to Know About School-wide Positive Behavior Supports. Columbia: University of Missouri.

Louwe, J. (2014). School Wide Positive Behavior Support: ook voor de scholen in Nederland het antwoord op de gedragsproblemen? Orthopedagogiek, Onderzoek en Praktijk, 53(5), 200-215.

Ouders Online. (2016, Februari 19). Opgehaald van Ouders: http://www.ouders.nl/artikelen/slachting-onder-anti-pestprogrammas

Pameijer. (2009). Handelingsgerichte diagnostiek. Leuven: Acco.

Remmerswaal, J. (2006). Begeleiden van groepen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Schermer, K., & Quint, P. (2013). De organisatie als hulpmiddel. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Schoorel, B., De Bruïne, E., Nelen, M., & Willemse, M. (2012). School Wide Positive Behavior Support: een ‘andere’ aanpak voor problematisch gedrag in de Nederlandse scholen. . In A. V. F. Harinck, Onderwijszorg en de keten (pp. 177-198). Antwerpen/Apeldoorn: Garant.

Sugai, G., Horner, R., Dunlap, G., Hieneman, M., Lewis, T., Nelson, C., . . . Ruef, M. (2000). Applying positive behavior supports and functional behavioral assessment in schools. Journal of Positive Behavior Interventions, pp. 2, 131-143. .

Wat is SWPBS. (2016, Februari 2). Opgehaald van www.swpbs.info: http://www.swpbs.info/WatisSWPBS.aspx